25 april 2021

Generale repetitie
De opwarming

Opwarming

Je moet ergens beginnen. Ergens de eerste steen mee leggen. Voor de een is dat een eerste aankoop, voor de ander het bedenken van een naam. Als het opzet is campagne-matig een fietstocht te maken doorheen het Vlaamse land, en de naam ligt al vast, dan begin je met een testrit. Onderweg wil ik mensen aanspreken, en dat gesprek filmen met een Go Pro. Dat vergt wat technische ervaring. Hoe lang draagt je batterijvoorraad? Wat geven deze instellingen met dit apparaat? Dat soort dingen. Het fietsen zelf mag geen probleem zijn. Al was dàt een jaar geleden wel anders.

Ik vreesde mijn uitverkoren korte afstandsverplaatsing, mijn favoriete ontspanning, mijn geliefkoosde manier om op vakantie te vertrekken… te moeten opgeven na een derde patella-ruptuur op 138 dagen. Niet dus, met dank aan mijn kinesist, die doorheen meer dan 100 sessies evenveel een mental coach was.

Een testrit dus. Op zondagochtend. Vreemde eend spelen tussen wielerpelotons. Een camera op het stuur, aansluitingsclip op de helm.

Als ik ga fietsen, richt ik mijn vizier bij voorkeur noordwaarts. De grens en het buitenlandgevoel zijn te vlakbij om er geen gebruik van te maken. De voor corona gesloten grenzen sturen me vandaag dus het binnenland in. Dat spijt me niet. Ik neem het zoals het is.

Velden, klaargemaakt voor het voorjaar, bevorderen een nieuwe kijk.

De ochtend is nog kil, maar dat deert mij niet. Ik trap me wel warm. Het duurt altijd even om het gevoel te krijgen écht vertrokken te zijn. Gekende fietsknooppunten als noodzakelijk kwaad om afstand te nemen: afstand van je werkplek, afstand van je keukentafel, afstand van de drukte in je hoofd. Het helpt dan om via een andere invalsweg de vertrouwde kerkdorpen binnen te rijden.

Velden, klaargemaakt voor het voorjaar, bevorderen een nieuwe kijk. Een man met een metaaldetector leest de vers opgerakelde voren, met dezelfde heupslag die ik herken uit mijn kinderjaren. (Een heupslag die gemaakt wordt, nadat een grootvader de zeis wette om er het weiland mee te kortwieken.) Hij wordt mijn eerste aanspreekpunt.

Eer ik mijn fiets heb neergelegd en de Go Pro mobiel heb gemaakt, loopt hij weer van me weg. Is het de gevoelige geluidsdetector die mijn stem of mijn stappen registreert: hij reageert op mijn vraag. “Of hij met mij een test wil doorstaan.” Het lijkt of de kleine camera, niet groter dan een luciferdoosje, sympathie opwekt sinds Arnout Hauben de wandelschoenen aantrok of sinds Iedereen Beroemd aan je deur kan staan.

Het eerste antwoord op de vraag : "Waar ervaarde je iets van Amazing Grace?"

Na wat geïnteresseerde vragen over slaagkansen voor zijn zoektocht en plaatselijke geschiedenis, kom ik tot de kern van mijn zaak. Ik had al laten vallen dat ik testte voor Tracing Grace. De klankovereenkomst met Amazing Grace maakt het iets gemakkelijker: dat kan ik zingen. Amazing Grace bestaat 250 jaar. Het werd geschreven door een slavendrijver die schipbreuk leed. Twee scheepsmakkers verdronken. Hij overleefde. Het doet hem zich afvragen: “Wat ben ik het waard, dat ik nog leef?” Daarin ervaart hij genade. Al is het een woord waarmee je iemand kan platslaan, het heeft dezelfde stam als ‘gratis’. Gratia is ‘hetgeen je zomaar krijgt.’ Wanneer hij voor het laatst iets als dusdanig heeft aangevoeld? “Dat is een moeilijke vraag”, zeker op zo’n zondagochtend, al is het een rustige, en met een camera op je neus, al is hij maar zo klein.

“Ieder huisje heeft zijn kruisje”, antwoord Kris, die ook geen aanstalten maakt om de onwennige situatie te ontvluchten. “We hebben thuis ons deel ook meegemaakt.” Maar hij is er wel doorgekomen? “Tuurlijk, tuurlijk”, antwoord hij resoluut. Hij heeft dat te danken aan de steun van zijn vrouw en zijn kinderen. “Samen sterk.” Familie en vrienden, vult hij nog aan. “Netwerken”, merk ik op, en ik leg hem uit hoe mijn fietstocht een netwerk wil zichtbaar maken van plekken die, ook in de toekomst en op vlak van geloof en zingeving, mensen willen ondersteunen.

Ik vraag hem of hij, als hij wil, dat “ieder huisje heeft zijn kruisje” met één woord concreter kan maken. Ik krijg het hele verhaal. Hun zoon is voor meer dan 80% gehandicapt. Dat weegt. De metaaldetector help hem om als vader zijn gedachten te verzetten. Corona heeft de dagbesteding voor zijn jongengedwarsboomd. En al is die regel intussen versoepeld, zijn vrouw heeft het er niet op, en dus is hun zoon al meer dan een jaar voltijds thuis. “Neen, we hebben niet gevloekt toen hij werd geboren. We wisten het op voorhand. We hebben het genomen zoals het kwam.” De gynaecoloog had aangekondigd dat het een “zwaar geval” zou worden, en had zelfs -op zijn minst de indruk gegeven- er de voorkeur aan te geven het kind niet te laten geboren worden. “Dat zeggen ze dan zo vlak in je gezicht.” “Hij wordt nu 26 jaar.” Of er iets van ‘grace’ aanwezig is, als je hem ’s morgens uit zijn bed haalt? “Hij is met heel weinig content. Daar kunnen wij van genieten”.

“Hij is met heel weinig content. Daar kunnen wij van genieten”
400 werkuren per maand was geen uitzondering

Een zware tractor komt het veld opgereden, maar houdt voldoende afstand. Zou het woelen in de aarde nog niet voorbij zijn? En zou het Kris iets opleveren? Dit eerst gesprekje, geheel sans gène, doet me uitkijken naar nog. Ik vervolg mijn tocht en zie de lente in veel gedaantes: bloeiende kerselaars, het frisse groen in de weilanden, barstende uitlopers van knotwilgen. Vlak bij de Achelmanstraat, waar ooit een F-16 crashte, wandelt Jos. Hij moet kilo’s kwijt geraken. In een paar weken tijd is het hem gelukt er een aantal weg te wandelen. Hij let ook wel op zijn eten: twee grote frieten en vijf cervelaworsten waren voor hem klein bier. Je zou het hem niet geven. Wellicht heeft zijn carrière er mee te maken: hij werkte op een booreiland. Hij heeft overal ter wereld gezeten. Voornamelijk in Dubai. 400 uren per maand waren geen uitzondering. Toen hij thuiskwam, was zijn vrouw er met zijn geld vandoor. Dat verhaal. Hij aanhoort het opzet van mijn gesprek. De rust in deze omgeving doen hem wel deugd. Hij heeft al verschillende waarnemingen gedaan: leeuweriken, zwaluwen.. Hij lijkt iets met zwaluwen te hebben. Hij hing er een nestkast voor op, aan zijn huis. Het eerste jaar was er een sperwer in komen huizen. Of er nu effectief zwaluwen in waren gekomen, bleef me onduidelijk. Het ging in elk geval over de ergernis die zijn vriendin uitte, over de vogelstront aan de gevel. Het was een evenwicht zoeken, kiezen zelfs tussen de vriendin en de vogels, maar “de nestkast hangt er toch nog altijd”, zegt hij lachend met een zucht van opluchting. Voor een man die plooide voor de dagelijkse bevelen om toch nog maar wat dieper te boren, wil ik dit geen oppervlakkig gesprek noemen. Verder graven is niet nodig.

Ik stond op heide, bij hem was er klaver.

Er zijn mensen die de knooppunten zo kunnen lezen dat het plezier van het onverwachte al verdampt is, nog voor ze de fiets opstappen. Dat is bij mij niet het geval. Integendeel! Kort voor de middag passeer ik zo het klooster waar Louis verblijft. Als ik eens kijk of hij thuis is? Ik ben aan een boterham toe en op een bankje op de speelplaats van de school kunnen we coronaproof bijpraten.

Tegen de muur kan de frisse bries ons niet deren. Dan is het niet zo erg dat ik, toch wat bezweet, stilzit. Ook voor Louis zou de wind geen goeddoen. Ik vond in zijn parochie asiel, toen in mijn eigen parochie dakloos was. Ik stond op heide, bij hem was er klaver. Daarom zou ik ook in zijn kerk trouwen. Intussen had hij nog in een ander klooster gewoond, in Vremde, dat nu een vluchtelingenopvang was geworden. Daarom had hij gevraagd terug naar Hechtel te mogen komen. Hier was hij schooldirecteur geweest en -eenmaal met pensioen- een beetje verderop pastoor geworden. Hij deed twee keer in de week nog een mis in het bejaardenthuis, maar daar ging hij toch stilaan mee stoppen: hij is intussen 87 jaar. Daarbij kwam dat ze een stuk van het klooster gingen afbreken, ten voordele van de school. Enkel de paters die met de school betrokken waren, mochten er blijven wonen. Hij zou naar Oud-Heverlee verhuizen. Opnieuw verhuizen dus, voor de dertiende keer. Ik stond op zijn lijstje van mensen die hij nog een keer wilde bezoeken voor zijn vertrek, en deze ontmoeting zou daar niets aan veranderen. Louis is één van die priesters die ik bij mijn afscheid schaamteloos een kruisje vraag, maar er ook een teruggeef. Coronaproof deze keer.

Je kan er ronddolen

Terwijl Louis aanschuift aan het middagmaal, overvalt me een volgende verrassing. Zouden cijfers me blij maken, ik zou in mijn planning het knooppunt moeten herkend hebben. Het ligt vlakbij een stuk grond dat me dierbaar is. Ik moet er weliswaar het uitgestippelde parcours voor verlaten. Mijn GPS sputtert piepend tegen, maar ik volg mijn hart: ik wil stoppen bij den hof van mijn schoonvader, gelegen aan de rand van het militair domein én zowat aan de rand van de samenleving. Hij zette er steevast een paar bijenkasten. Hij won op de kurkdroge aarde zijn dagelijkse groenten. Hoeveel kilometers hij daar te voet heeft afgelegd, beladen met emmers en gieters opgepompt water, niemand doet het hem na. Zijn hof was zijn hemel op aarde. Bijna elf jaar geleden hebben we er zijn assen uitgestrooid. Als buurman had hij Cor. Oudgediende in het Nederlandse leger. Als beeldregisseur kon hij er zijn creativiteit kwijt. Sinds zijn pensioen wellicht – moet ik eens navragen- veranderde hij zijn lap grond in een openlucht-expositie van installaties, oldtimers en allerhande brocante, verspreid tussen de bomen. Je kan er ronddolen. Ze doen je altijd via een ander paadje vertrekken van de chalet, waarin hij het hele jaar door woont, en terugkeren naar den hof. Ik wil Cor bezoeken. Het is zo lang geleden dat ik hem nog gezien heb. Ik ben er zeker van dat hij filosofische antwoorden gaat geven op mijn vragen. Zo goed ken ik hem al wel. Bij de hof langsgaan, is steevast ook bij Cor langsgaan. Zijn TV staat zoals altijd te spelen. Maar er komt geen reactie op mijn kloppen op zijn deur.

Per ongeluk, echt waar!

Ik geniet nog even van mijn Dasein, met de stille hoop dat Cor alsnog eens komt kijken. De lentezon verwarmt mijn zitplek, beschut tegen de wind.

Ik heb een soort deadline ingesteld, om toch niet al te laat weer thuis te zijn. Ik zit mooi op schema. 15 km per uur als gemiddelde snelheid zal een goed referentiepunt zijn, als ik de route voor mijn project verder ga inplannen. Ik kan vandaag deze (veronder)stelling aan de test onderwerpen, tijdens het tweede deel van mijn tocht.

Die brengt me niet langs ‘fietsen door de bomen’. Per ongeluk vermijd ik die toeristische trekpleister. Via een kanaalarm word ik tot aan de Blauwe Kei geleid. Al is er iets van voorspelbaarheid, ik wil de verwondering cultiveren. De bries over het brede wateroppervlak (de waterweg vloeit hier over in een aantal putten) staat nu pal op kop.

Ik zet me in het wiel van een duofiets: vader en zoon zitten naast elkaar op een driewieler. Moeder fietst er achter aan. Ze moest een inhaalbeweging maken: onder een brug had ze staan telefoneren. Met mij naast haar vormen we een perfect squadron en ik vraag of ik zo even mag meerijden. De constructie van de duo-fiets en de toerusting met batterijen wijst er op dat vaker wordt gefietst. Corona is niet de enige aanleiding. Het fietsen is een goed alternatief voor de dagelijkse kine die zoonlief nodig heeft. Zo hoeft hij niet de hele dag in zijn rolstoel te zitten. Maar dan is het nog niet vanzelfsprekend: zijn benen kunnen hem niet dragen en ook stoppen tijdens de fietstocht voor een plasje lijkt er niet in te zitten. Toch maken ze een toerke van 40 km, zoveel als het kan en met Balen-Neet als vertrekpunt. Bij de Blauwe Kei en Dikke Louis neem ik afscheid van deze helden van de ouderlijke zorg.